De weem; boerenbehuizing met veelzijdige bewoners

Kerkterreinen zijn bijzondere en opvallende plekken in de dorpen gelegen in het noordelijk kleigebied. De oude middeleeuwse kerk is meestal beeldbepalend voor het dorpssilhouet. Op het omgrachte of omheinde kerkhof met de staande en liggende grafstenen staan soms grote oude bomen. Aanpalend de pastorie, dikwijls een villa gebouwd in een 19e of begin 20e eeuwse stijl, gelegen in een ruime pastorietuin met veel begroeiing. In veel gevallen vormt het kerkelijk erf een opvallende open ruimte in de dichte bebouwing van de wierdedorpen.
Past-Wets1-200Vroeger was de pastorie geen villa, maar meestal een pastorieboerderij, die weem werd genoemd. Het woonhuis had de vorm en de afmetingen van een steenhuis, zij het dat het waarschijnlijk nimmer een verdedigbaar huis was. Het woord weem betekende in het Middelnederlands en Oudfries huwelijksgeschenk of dotatie aan een kerk, een klooster of een pastorie. Sommigen wijzen ook op de betekenis dat het woord wellicht later kreeg, dat van gewijde grond.

Op de weem woonde vroeger de pastoor en later de predikant. Zij oefenden hun geestelijk ambt uit en waren daarnaast landbouwer. Toen het christendom hier kwam en er kerken werden gebouwd werden pastoors aangesteld. Deze functionarissen kregen grond van de kerk in gebruik om te voorzien in hun levensonderhoud. Omdat de pastoor dus naast geestelijke ook boer was, had hij meestal een vrouw in de pastorie en werd hij niet zelden door zijn zoon opgevolgd.
Weliswaar had in de 13e eeuw de kerk de regel van het celibaat aangenomen, maar in deze noordelijke afgelegen gebieden was een gehuwd priester een aanvaard gegeven.

Nog in de 15e eeuw had de latere paus Pius II hiervoor de volgende verklaring:
de Friezen ( in dit geval de Ommelanders) straffen de onkuisheid hunner vrouwen behoorlijk streng en priesters zonder echtgenote laten zij niet gauw toe, uit vrees dat zij anders andermans huwelijksbed zullen bezoedelen, want zij menen dat de man nauwelijks in staat is om in onthouding te leven en dat ook niet volgens de natuur is. Waarschijnlijk was ook de sociaal- economische toestand waarin de priesters hier verkeerden een reden om samen te leven. Zij waren immers ook boer en moesten wel een vrouw hebben om financieel het hoofd boven water te kunnen houden.

De dorpspastoor had dus een omvangrijke taak, want behalve als landbouwer had hij als kerkelijk dienaar ook taken die tegenwoordig door de overheid worden geregeld, zoals het verzorgen van het onderwijs, de armenzorg en het begraven. Als geletterd man vervulde hij eveneens de taak van schrijver en trad hij als zodanig op bij koop en verkoop van onroerende goederen.

Na de reformatie bleef de positie van de dorpsgeestelijke, nu de dominee belangrijk. Hij preekte en was boer, maar ook werd hij belast met notariële taken en kreeg het vaak recht van verzegeling. Soms trad hij op als ijkmeester en schouwde hij met de kerkvoogden de voetpaden en de vonders. Doordat hij een boerenbedrijf dreef, werd hij dikwijls opgevolgd door een familielid, een zoon of een schoonzoon. Vaak verzwagerden dominees zich met boerenfamilies.

In de 19e eeuw maakte men gebruik van de omstandigheid waarin zich de predikant bevond. In 1815 werd Dr. J.A. Uilkens, predikant te Bellingeweer, daarna te Lellens en Eenrum, aangesteld als hoogleraar in de landhuishoudkunde aan de hogeschool te Groningen en zijn colleges waren verplicht voor theologiestudenten.

Zo kwam er in elke pastorie een theoloog te wonen die ook theoretisch geschoold was in de landbouw, een man die kon dienen als vraagbaak voor de landbouwers in de omgeving. In de 19e eeuw werden soms smaakvolle tuinen door de predikanten aangelegd, ook toen was het mode om een fraaie hof te hebben met bijzondere planten. In de verwilderde pastorietuin te Huizinge staat nog altijd een Turkse lelie, een herinnering aan de romantische tuin die dominee J.B. Snoek rond 1830 liet aanleggen, naar de trant van die tijd.
pastorie-achter

Er zijn in de provincie nog een aantal wemen over, in Warffum, Solwerd en Eexta. In Westeremden staat sinds tientallen jaren weer een getrouwe copie van de oude priesterbehuizing. Hier werd ook de viskernij, de visvijver hersteld. In een dergelijke vijver werd de vis levend in voorraad gehouden om gemakkelijk gevangen en daarna geconsumeerd te kunnen worden. In Huizinge werd nog in 1953 de weem afgebroken. In Usquert bevat de pastorie middeleeuwse restanten evenals te Middelstum, waar de 19e eeuwse pastorie deels gefundeerd is op de overwelfde kelder van de oude weem.

Aan een aantal andere pastorieën zoals die te Ulrum, Leens, Breede en Garsthuizen zou bouwhistorisch onderzoek verricht moeten worden, omdat het sterk verbouwde middeleeuwse huizen zijn. Dit bleek kort geleden ook te Wetsinge waar een middeleeuwse weem tevoorschijn kwam vanachter een neoclassicistische gevel.

Wemen werken op de verbeelding omdat ze het verhaal vertellen van de pastoor en de dominee, die ooit centraal stonden in het dorpsleven. Ze behoren ook tot de oudste gebouwen die we bezitten en ze staan op bijzondere grond.

Overgenomen uit Nieuwsbrief nummer 2/2003 van Landschapsbeheer Groningen./ Reint Wobbes.

18-11-2008 De pastorie van Wetsinge door Ben Westerink.
22-10-2008 Wonen in de pastorie te Wetsinge.R. Bruins had op
7 juni 2008 een gesprek met de huidige bewoners.
Hier volgt een verslag.
19-11-2008 Tekening van de Pastorie.
Meerdere tekeningen zijn te vinden via de inventarislijst van /Doc.-Papier.